Onbehagen en verlangen — Een lacaniaanse visie op het subject in tijden van artificiële intelligentie

Sinds Freud is het onbehagen een kernmotief in de psychoanalyse, een onvermijdelijke schaduw die boven de beschaving hangt. In Das Unbehagen in der Kultur (1930) beschrijft Freud hoe de mens zijn driftmatige impulsen moet inperken om in gemeenschap te kunnen leven. De prijs van cultuur is de innerlijke spanning die daaruit voortvloeit: schuldgevoel, angst en de herhaling van onbewuste conflicten. Het onbehagen is daarmee niet slechts een affectieve toestand, maar een structurele voorwaarde van mens-zijn (Freud, 1915). Jacques Lacan radicaliseert dit freudiaanse inzicht door het niet langer te begrijpen in termen van conflict tussen natuur en cultuur, maar als effect van taal. De mens wordt pas subject door de intrede in het symbolische veld: de orde van betekenaren (signifiants), wetten en sociale structuren die het spreken mogelijk maken. Deze intrede kent ook verlies — van onmiddellijke driftbevrediging, van oorspronkelijke eenheid, van een vanzelfsprekende relatie tot het lichaam. De taal snijdt, structureert en laat een rest achter die niet kan worden gesymboliseerd. Dat noemt Lacan het Reële. In dat tekort tussen het Symbolische en het Reële ontkiemt het verlangen. Het verlangen vormt dus niet de pathologische kant van het menselijk bestaan, maar zijn drijvende kracht. Waar Freud nog kon spreken over de ‹druk› van driften, spreekt Lacan over de symbolische oorzaak van het verlangen: wij verlangen omdat wij spreken. Eerst komt het spreken, en dan het verlangen. In elke uitspraak klinkt het gemis door dat de taal zelf heeft voortgebracht. De mens leeft niet van vervulling, maar van de spanning tussen wat gezegd kan worden en wat altijd ontsnapt (Evans, 1996).

Het volledige artikel van Jos de Kroon lezen? Klik hier.