Wanneer het onbewuste spreekt — Psychose tussen vervreemding en oorspronkelijke waarheid

Psychose kan begrepen worden als een epistemologisch grensfenomeen, opgevat als een oorspronkelijke ervaring van de werkelijkheid waarin het onderscheid tussen zelf en wereld, tussen symbolisch en reëel, tijdelijk wordt opgeheven. Vanuit een kritische reflectie op het materialistische paradigma waar psychose voornamelijk wordt begrepen als een biologische stoornis of als een cognitieve deficiëntie, worden inzichten uit de psychoanalyse (Bion, Lacan, Delion en Jung), het metafysisch idealisme van Kastrup, het rizoomdenken (Deleuze & Guattari) en klinische ervaringen verweven tot een alternatieve benadering van psychose. De hypothese wordt ontwikkeld dat psychose niet voortkomt uit een teveel aan dissociatie,1 maar uit een tekort eraan — waardoor inhouden uit bredere (persoonlijke, collectieve en transpersoonlijke) ervaringslagen ongefilterd het bewustzijn binnenkomen. Klinische vignetten illustreren hoe deze ervaringen vaak een mythisch of existentieel karakter dragen en hoe ze niet enkel de patiënt, maar ook de clinicus kunnen raken in diens eigen gevoelswereld. Dit vraagt om een houding van ‹niet-weten› en resonantie, waarbij de behandelaar zich ontvankelijk opstelt voor het onzegbare in de psychotische ervaring. Het artikel pleit voor een humane psychiatrie waarin psychotische ervaringen worden erkend als betekenisvol en draaglijk kunnen worden gemaakt via nabijheid, cocreatieve processen, symbolisering en dialogisch contact. Psychose verschijnt aldus niet als een defect, maar als een grenservaring die de mens confronteert met de fundamenten van subjectiviteit, werkelijkheid en verbondenheid.

Het volledige artikel van Bart Reynders lezen? Klik hier.