Objectrelatietheorie

  • Duits: Objektbeziehungstheorie
  • Engels: object-relation theory
  • Frans: théorie des relations d’objet

De term “objectrelatietheorie” werd geïntroduceerd door William Ronald Fairbairn (1889–1964) en verwijst naar een verzameling structurele en ontwikkelingspsychologische hypothesen over de vroegkinderlijke behoefte aan een relatie. De objectrelatietheorie beschrijft deze behoefte als de kern van de menselijke, psychologische motivatie. “Libido is primair op zoek naar een object en niet naar lust”, zo schrijft Fairbairn (1944). Hiermee neemt hij afstand van de freudiaanse opvatting, waarin de mens wordt gedreven door het zoeken naar bevrediging of ontlading van seksuele en agressieve driftimpulsen, en legt hij de nadruk op de behoefte aan een relationele band. Hierbij leunt Fairbairn onder meer op Freuds Driften en hun lotgevallen (1915), waarin het object wordt beschreven als verbonden met de drift, en op Rouw en melancholie (1917), waarin wordt uiteengezet hoe verlies kan leiden tot de introjectie van het object in het Ik. Daarmee legt hij een basis voor het latere denken over interne objecten en de relationele organisatie van de innerlijke wereld.

Er zijn ook auteurs die stellen dat Fairbairn, ondanks zijn gebruik van freudiaans jargon (ego, libido, object), radicaal afstand neemt van Freuds economische driftprincipe van lustbevrediging en pijnvermijding (Mitchell, 1988; Pine, 1990; Scharff, 2002). Volgens Fairbairn heeft het kleine kind namelijk een aangeboren behoefte om zich te hechten aan een echt mens. Deze behoefte aan een wederkerige en menselijke relatie zou mogelijk groter zijn dan de behoefte aan lustbevrediging en pijnvermijding. In de objectrelatietheorie staat het object niet in dienst van lustbevrediging, maar kan het vinden van een objectrelatie worden opgevat als een na te streven doel op zich, zelfs wanneer deze relatie frustrerend of traumatiserend is (zie onder).

Ontwikkeling van de theorie
Melanie Klein schreef dat het jonge kind vanaf het begin van zijn leven onbewuste fantasieën heeft over de relatie met een ander (een object) (Klein, 1921). Deze ander wordt dan nog niet beleefd als een echt persoon, maar slechts als een behoeftebevredigend onderdeel, een deelobject, zoals de borst. Klein hield vast aan Freuds driftmodel door het centraal stellen van driftbevrediging door deelobjecten. Ze nam wel afstand van Freuds biologische oriëntatie door het fundamentele, intrapsychische conflict te beschrijven als een innerlijke strijd tussen liefdevolle en agressieve gevoelens ten opzichte van het object. Deze zienswijze wijkt af van de klassieke en egopsychologische bewering dat biologische driften in conflict zijn met het Boven-Ik en met het op de realiteit gerichte Ik.

Latere auteurs, zoals Fairbairn, Winnicott en Balint, zien de vroegkinderlijke behoefte aan een veilige relatie als primair en op zichzelf staand. Zij theoretiseren over hoe vroegkinderlijke ervaringen met de primaire verzorgers op latere leeftijd de waarneming, het gedrag en de emoties beïnvloeden. Ze bestudeerden het verband tussen relaties in de vroege kindertijd en relaties in het latere leven. Volgens hen heeft de manier waarop mensen zich als kind behandeld hebben gevoeld door hun verzorgers (ouders) een grote impact op hoe zij later zichzelf en anderen gaan behandelen. Zo bezien raken de ervaringen die jonge kinderen opdoen in relatie met hun ouders geïnternaliseerd en ontstaan innerlijke representaties van het zelf in relatie tot de ander. Latere relaties worden geïnterpreteerd op grond van deze interne objectrelaties. Deze mentale representaties in de vorm van interne objectrelaties zijn het resultaat van werkelijke gebeurtenissen in het verleden en van subjectieve belevingen, interpretaties en fantasieën.

Ook Otto Kernberg wordt soms gerekend tot de objectrelatietheoretici. Kernberg houdt in zijn theorie vast aan Freuds drifttheorie, maar combineert deze met de objectrelatietheorie door de kern van de persoonlijkheid te beschrijven als archaïsche, interne objectrelatierepresentaties (Kernberg, 1976). Deze worden gekleurd door een affectieve beleving: negatief (de agressieve drift) of positief (de libidineuze drift). Door het vasthouden aan de klassieke drifttheorie worden Klein en Kernberg niet gezien als pure objectrelatietheoretici, zoals bijvoorbeeld Fairbairn, Balint en Winnicott.

Herhaling en verandering
De neiging om geïnternaliseerde objectrelaties te actualiseren en uit te leven in het contact met een actuele ander wordt door objectrelatietheoretici niet primair verklaard door te wijzen op de doodsdrift (zoals in Freuds theorie), maar eerder opgevat als een poging om oude conflicten als gevolg van trauma alsnog te kunnen doorwerken (zie bijvoorbeeld Winnicott, 1969).  

Alleen een nieuwe relationele ervaring die voldoende betekenis en intensiteit heeft, kan dan bijdragen aan correctie of differentiatie van de interne objectrelaties. Dit kan een langdurige, corrigerende partnerrelatie zijn, maar soms is een intensieve psychoanalytische relatie nodig om ingesleten relationele patronen te veranderen. De objectrelatietheorie is in de klinische praktijk bruikbaar voor het begrijpen en behandelen van patiënten die moeite hebben met het aangaan van een wederkerige en liefdevolle relatie.

Een belangrijke bijdrage van de objectrelatietheorie is de aandacht voor tegenoverdracht. In de freudiaanse theorie werd tegenoverdracht vooral opgevat als een reactie van de analyticus die door zelfanalyse onder controle moest worden gehouden. Verschillende objectrelatietheoretici hebben daarentegen betoogd dat tegenoverdracht ook kan worden opgevat als een fenomeen dat in het gebruik ervan de psychoanalyticus kan helpen zicht te krijgen op onbewuste processen in de analysant en in de relatie tussen analysant en analyticus.

Verwante ontwikkelingen
Parallel aan deze theoretische ontwikkelingen ontstond in de Verenigde Staten de interpersoonlijke psychoanalyse. Invloedrijke auteurs binnen deze stroming zijn Harry Stack Sullivan en Edgar Levenson. De interpersoonlijke psychoanalyse onderschrijft ook het belang van relationele ervaringen in de psychologische ontwikkeling van het individu, maar kent geen belang toe aan het internaliseren van objectrelaties en het bestaan van interne objecten. De interpersoonlijke psychoanalyse ziet het streven naar veiligheid en goedkeuring als de kern van de menselijke motivatie. Angst, trauma, veiligheid en reparatie worden gezien als interpersoonlijke fenomenen. Seksualiteit wordt beschouwd als secundair. De psychoanalytische relatie wordt hierbij gezien als op zichzelf helend, wanneer de psychoanalyticus actief bijdraagt aan het faciliteren van een nieuwe relationele ervaring.

Andere stromingen die voortkomen uit de objectrelatietheorie zijn de gehechtheidstheorie (apart lemma), de relationele psychoanalyse (apart lemma) en de intersubjectieve psychoanalyse (apart lemma).

Literatuur

Fairbairn, W.R.D. (1944). Endopsychic structure considered in terms of object-relationships. In W.R.D. Fairbairn, Psychoanalytic Studies of the Personality (pp. 82–136). London: Tavistock, 1952. Herdrukt door Routledge.

Freud, S. (1915). Driften en hun lotgevallen. In: Werken 7, 17–45.

Freud, S. (1917). Rouw en melancholie. In: Werken 7, 129–149.

Kernberg, O.F. (1976). Object Relations Theory and Clinical Psychoanalysis. New York: Jason Aronson.

Klein, M. (1921). The development of a child. International Journal of Psychoanalysis, 1: 200–203.

Pine, F. (1990). Drive, Ego, Object, & Self: A Synthesis for Clinical Work. New York: Basic Books.

Mitchell, S.A. (1988). Relational Concepts in Psychoanalysis: An Integration. New York: Harvard University Press.

Scharff, J.S. (2002). In E. Erwin (red.), The Freud Encyclopedia. London & New York: Routledge.

Winnicott, D.W. (1969). The use of an object. International Journal of Psychoanalysis, 50:711–716.