Aichhorn, August

August Aichhorn (1878-1949) is een pionier van de psychoanalytische pedagogiek en van de psychoanalyse van de adolescentie Hij wordt erkend als de grondlegger van de ‘residentiële therapeutische behandeling van kinderen en adolescenten’ (Verheij 2004: 504).

Aichhorn stamt uit een traditioneel Weense familie. Geruïneerd door de financiële crisis schoolt Aichhorns vader zich om van bankier tot banketbakker. De jonge Aichhorn raakt bevriend met jonge bakkersknechten uit sociaal achtergestelde middens. Na een opleiding als leraar in technische vakken bekwaamt hij zich aan de Weense universiteit in de heilpedagogie, een antroposofische variant binnen de orthopedagogie. Hij verzorgt de opleiding van maatschappelijk werkers en  leidt tijdens de Eerste Wereldoorlog een Weens Knabenhort, waar verwaarloosde jongeren door de Weense overheid worden opgevangen en (her)opgevoed. Aichhorn wordt achtereenvolgens inspecteur van de Weense jeugdhulpverlening en directeur van de instelling van Oberhollabrunn. In de geest van de naoorlogse reformpedagogiek hervormt Aichhorn dit militaire heropvoedingsgesticht voor jeugddelinquenten tot een plek waar de adolescent centraal komt te staan. In 1921 zet hij dit pedagogische experiment verder in Sankt Andrä an der Treisen tot het project begin 1923 door de Weense overheid wordt stopgezet. Aichhorn keert terug naar de binnenstad.

Anna Freud is geëngageerd binnen de Weense jongerenhulpverlening en gefascineerd door Aichhorns pedagogische project. Lou Andreas-Salome stelt hen in 1921 aan elkaar voor. Dit resulteert in een levenslange vriendschap en briefwisseling. In 1922 treden Anna en Aichhorn officieel toe tot de Weense Psychoanalytische Vereniging (WPV). Na een leeranalyse bij Paul Federn opent Aichhorn in Wenen de privépraktijk die hij zijn hele leven zal voortzetten. Hij maakt tevens deel uit van een informele studiegroep die vanaf 1923 elke zaterdagnamiddag samenkomt ten huize Freud. Behalve Anna participeren Weense jeugdhulpverleners als Siegfried Bernfeld en Willi Hoffer, medepioniers inzake de psychoanalyse van de adolescentie. Vanaf 1925 verzorgt deze groep het onderwijscurriculum van de sectie kinderen aan het Weense Psychoanalytisch Instituut. Ze nemen tevens de redactie waar van het in oorsprong Zwitserse Zeitschrift fur Psychoanalytische Pädagogik, dat vanaf 1926 naar Wenen verhuist. Het bloeiende tijdschrift houdt in 1937 abrupt op te bestaan om in 1946 in de Verenigde Staten te herrijzen als het nog steeds toonaangevende The Psychoanalytic Study of the Child.

Bovengenoemde studiegroep vormt de intellectuele ontstaanscontext van Aichhorns magnum opus. Verwaarloosde jeugd (1925) is gericht aan een breed publiek van jeugdhulpverleners en vormt het relaas van Aichhorns jarenlange praktijkervaring met weeskinderen en delinquente jongeren. Aichhorns werk verhoudt zich kritisch jegens het toenmalige psychiatrische degeneratie-denken over delinquentie, dat hand in hand ging met een streng bestraffingsbeleid. Eveneens nuanceert het Freuds aanvankelijke these die, in het kielzog van de reformpedagogiek, pleitte tegen de repressieve opvoeding en voor de bevrijding van het infantiele driftleven. Met een pleidooi voor het realiteitsprincipe en voor de identificatie met emotioneel beschikbare ouderfiguren in functie van de genese van het Ik en het Boven-Ik, verdedigt Aichhorn een tussenpositie. In navolging zal Freud later verklaren: “De opvoeding moet dus haar weg zoeken tussen de Scylla van het laten betijen en de Charybdis van de frustratie” (Freud 1933a: 203). Aichhorn neemt positie tegen Melanie Klein, die de exclusieve focus legt op het intrapsychische, en de pedagogiek ervaart als een bedreiging voor analytische arbeid in de kinderanalyse. Aichhorn begrijpt jeugddelinquentie als symptoom van een ontwikkelingsstoornis die primair teruggaat op een problematische ouder-kindrelatie. Aichhorn is niet bestraffend jegens agressieve jeugddelinquenten, maar zet in op het induceren van een positieve overdracht als noodzakelijke voorwaarde voor psychische groei. Dit gebeurt volgens Aichhorn door de identificatie met het Ik-ideaal, “dat [door het kind] bereikt, nagestreefd, gerealiseerd wil worden, omdat het kind er van houdt, maar dat het ook met en om zijn eisen vreest” (Aichhorn 1925: 174). 

In 1927 wordt Aichhorn de drijvende kracht achter de Hietzingschool, een project van Dorothy Burlingham, Eva Rosenfeld en Anna Freud. Na de sluiting in 1932 trekt Aichhorn zich uit het publieke leven terug. Tot op het laatste ogenblik neemt hij echter Freuds Sache ter harte. Zo vraagt Aichhorn aan de Weense fotograaf Edmund Engelman om de Berggasse 19 op de gevoelige plaat vast te leggen. Aichhorn argumenteerde profetisch dat op basis van deze fotoreeks “een museum kan worden ingericht wanneer de storm der jaren is overgewaaid” (Engelman 1981, p. 93). In tegenstelling tot Freud en andere collega’s bergt Aichhorn zijn emigratieplannen op. Zijn oudste zoon is namelijk als politieke gevangene naar Dachau gedeporteerd. Aichhorn besluit de Weense psychoanalyse clandestien in leven te houden. Als niet-jood wordt hij medewerker van het Berlijnse Göring Institut, dat het onderzoek naar kinderpsychologie en delinquentie hoog in het vaandel draagt. Als behandelend psycholoog leidt hij onder het oog van de Gestapo jonge psychiaters op, om in 1944 alsnog onder te duiken op het Weense platteland. In 1946 is Aichhorn de enige om de WPV herop te starten en wordt hij codirecteur van het International Journal. Als erkenning voor zijn oorlogsverdiensten maakt de Amerikaanse Psychoanalytische Vereniging hem erelid.

Voor zijn zeventigste verjaardag verleent de Universiteit Wenen Aichhorn de titel van hoogleraar. Zijn gezondheid laat het echter stilaan afweten. Wegens hartklachten reist hij niet meer af naar het eerste naoorlogse congres te Zürich. Zowel Anna’s in memoriam als het door Kurt Eissler samengestelde liber amicorum (Eissler 1949) vereeuwigen Aichhorns bijdrage aan de psychoanalyse. Behalve Eissler getuigen tal van analysanten, zoals Heinz Kohut en Margaret Mahler, maar ook collega’s, zoals René Spitz, Peter Blos en Erik Erikson, in hun werk blijvend van zijn inspiratie.

Literatuur

Aichhorn, A. (1925). Verwaarloosde jeugd – De psychoanalyse in de heropvoeding. Vert. J. Zuring. Utrecht: Bijleveld, 1952. [Origineel: Verwahrloste Jugend: Die Psychoanalyse in der Fürsorge-Erziehung. Bern: Hans Huber]

Eissler, K.R. (ed.)  (1949). Searchlights on Delinquency. New York: International Universities Press.

Engelman, E. (1981). ‘A Memoir’. In: E. Engelman, Sigmund Freud, Berggasse 19, Vienna. Wenen: Brandstätter, 2015.

Freud, S. (1925f). ‘Ten geleide bij ‘Verwahrloste Jugend’ (Aichhorn)’. Werken 9. Amsterdam: Boom, pp. 537-539.

Freud, S. (1933a [1932]). Colleges inleiding tot de psychoanalyse – Nieuwe reeks. Werken 10. Amsterdam: Boom, pp. 77-232.

Verheij, F., e.a. (red.) (2004). Klassiekers van de kinder- en jeugdpsychiatrie. Assen: Van Gorcum.

Gerelateerde lemma's

(St. Petersburg 1861 – Göttingen 1937) Lou Salomé was bevriend met vele groten van haar tijd, onder andere Nietzsche en Rilke. In 1912-1913 verbleef ze in Wenen om psychoanalyse te studeren en sindsdien had zij nauwe betrekkingen met Freud en zijn familie, met name met dochter Anna. Ze pra…

(1902 nabij Frankfurt - 1994 Verenigde Staten) De H. komt van Homburger, naar zijn stiefvader. Hij trok in 1927 naar Wenen, waar hij werkte in de psychoanalytische privéschool, gefinancierd door mevrouw Burlingham. Hij was in analyse met Anna Freud en volgde een analytische opleiding. In …

(Wenen 1895 - Londen 1982) Jongste dochter van Sigmund Freud. Aanvankelijk volgde zij een opleiding tot onderwijzeres en vervolgens werd zij (kinder)analytica. Zij verhuisde met haar vader in 1938 mee van Wenen naar Londen. Vele jaren was zij een leidende figuur in de psychoanalytische…

Eglé Laufer (1925-2021) wordt als Eglé Vajda geboren te Wenen. Ze groeit er op in een gezin dat de sfeer van de linkse culturele revolutie tijdens het interbellum ademt. In het spoor van moeders nieuwe partner arriveert Eglé in London, waar zij aan Kings College wis- en natuurkunde…

Moses Laufer (1928-2006) groeit op in Montréal (Canada) als zoon van Poolse immigranten. Later gaat hij zich in Israël als maatschappelijk werker ontfermen over het lot van geïmmigreerde oorlogswezen. Na zijn opleiding als psychoanalyticus binnen de Britse Psychoanalytische Vereniging (BPV)…

Andere lemma's binnen deze onderwerpen