Biseksualiteit


  • Duits: Bisexualität, die
  • Frans: bisexualité

De eigentijdse, alledaagse betekenis van biseksualiteit is: het vermogen zich seksueel aangetrokken te voelen door beide seksen. Biseksualiteit kan, zoals homoseksualiteit, voor het subject problematisch zijn (egodystoon) of problematische sociale consequenties hebben, maar er zijn veel mensen voor wie biseksualiteit binnen hun identiteit een vanzelfsprekende plaats heeft. Voor sommige groepen, en in bepaalde perioden, is biseksualiteit een life style issue. Een specifiek probleem voor biseksuelen is, dat zij door anderen (homo’s en hetero’s), onder wie hulpverleners, vaak gezien worden als mensen met een keuzeprobleem. Voor biseksuelen zelf kan de vraag of zij uiteindelijk meer hetero- dan wel homoseksueel zullen blijken te zijn zeker een twijfelpunt zijn, waar zij soms psychotherapeutische hulp voor zoeken. Voorts komt het regelmatig voor dat niet alle aspecten van de erotisch-seksuele partnergerichtheid (verliefdheid, seksuele fantasie, seksueel gedrag) in gelijke mate biseksueel zijn. Biseksuelen die moeite hebben om zichzelf te positioneren kunnen veel houvast ontlenen aan het klein-grid, een verfijning van de oudere  Kinseyschaal, die het individu plaatst op een continuüm van 100% hetero- tot 100% homoseksueel, zonder verdere differentiatie (http://nl.wikipedia.org/wiki/Alfred_Kinsey).

De term ‘biseksualiteit’ is gemunt door Wilhelm Fliess. Het was een belangrijk onder­werp in de correspondentie Freud-Fliess tussen 1887 en 1904. Fliesz beschouwde zichzelf als de auctor intellectualis van de term en was bijzonder onaangenaam getroffen toen in 1903 Otto Weininger in zijn Geschlecht und Charakter de primeur had van de theorie over de biseksualiteit. Freud realiseerde zich dat hij loslippig was geweest tegenover collega Dr. Swoboda, van wie hij wist dat die in de kennissenkring van Weininger verkeerde, en hoewel hij zich uitvoerig verontschuldigde over zijn aandeel in Weiningers plagiaat, heeft Fliess hierna het contact met Freud definitief verbroken.

De invulling die Fliess aan het begrip gaf was, in tegenstelling tot de huidige interper­soonlijke betekenis, puur individueel en behelsde allerlei eigenschappen waarvan in de negentiende eeuw het mannelijke dan wel vrouwelijke karakter niet ter discussie stond. Ter illustratie: bij een vrouw worden agressie en ambitie gezien als tekenen van een biseksuele inslag, bij mannen geldt hetzelfde voor zorgzaamheid en volgzaamheid. In de eerste helft van de twintigste eeuw zijn verschillende aspecten van de twee-geslachtelijkheid in aparte definities omschreven: genetisch-chromosomaal geslacht, fenotypisch-genitaal geslacht, genderidentiteit en -rolgedrag, en uiteraard seksuele oriëntatie. De lezer van oudere analytische geschriften dient zich steeds te realiseren dat hierin ‘biseksueel/biseksualiteit’ waarschijnlijk iets anders betekent dan in eigentijdse literatuur. Een bijzonder verwarrend voorbeeld is de biseksualiteit van de vrouwelijke seksualiteit. Daarmee wordt niets gezegd over haar seksuele oriëntatie; bedoeld wordt dat de vrouw twee seksuele reactiepatronen kent, namelijk het clitorale en het vaginale. Zie Clitoraal-vaginale transfertheorie, Frigiditeit en Gender identity. [JJD]

Literatuur

  • Freud, S. (1905d). ‘Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit’. Werken 4. 15-116.
  • Kinsey, A.C. e.a. (1948) Sexual behavior in the human male. Saunders, Philadelphia.
  • Klein, F. (1978) The bisexual option. Taylor Francis, New York NY.
  • http://books.google.nl/books?id=By3n48Gqt_kC&pg=PA65&lpg=PA65&dq=clitoral-vaginale+transfertheory&source=bl&ots=x4xVVlA29q&sig=KJuOXuwLT2E3uROSFTihYwLnRBw&hl=nl&sa=X&ei=2TSAT939GI-aOqOmnYcH&ved=0CE8Q6AEwBg#v=onepage&q=clitoral-vaginale-transfertheory&f=false