Personalisme


Personalisme is een metafysisch systeem met de persoon als uitgangspunt. De werkelijkheid bestaat dan uit een gemeenschap van interacterende personen. De persoon wordt door verschillende personalistische denkers als vrij, zelfbewust en moreel verantwoordelijk gezien.

De term personalisme – voor het eerst gehanteerd door F. Schleiermacher – wordt gebruikt voor heel verschillende filosofen, zoals Hegel, Berkeley en Kant. In de twintigste eeuw zijn er uitgesproken personalistische denkers geweest zoals E. Mounier, L. Lavelle, N. Berdjajew, en in Duitsland W. Stern. William Stern (1871-1938) is bekend geworden door zijn werk op het gebied van de kinderpsychologie en we danken aan hem het begrip intelligentiequotiënt. In zijn uitvoerige werk Person und Sache. System des kritische Personalismus ( 1906-1924) zoekt hij naar een anti-mechanicistische fundering van de psychologie. Hij ziet de persoon als een totaliteit, een ‘unitas multiplex’, en als gericht op het streven naar een doel. Teleologie in plaats van causaliteit wordt als fundamenteel metafysisch principe aangenomen. Uit zijn visie op de persoon vloeit een waardenfilosofie voort.

Sterns personalisme had een zekere aanhang in Nederland, onder meer bij F. Roels, hoogleraar in de psychologie in Utrecht en Nijmegen. Hij nam Sterns karakteristiek van de mens als ‘unitas multiplex‘ over en verdedigde zijn persoonsgerichte benadering tegen de functiegerichte benadering in de psychologie. Ook is er een sterke invloed geweest op het psychiatrische werk van E. A. D. E. Carp* (1995-1983). Het Bijbels personalisme van Philip Kohnstam is geïnspireerd door Stern. De laatste is na de WO II van grote invloed geweest op een aantal intellectuelen in Nederland.

Het personalisme heeft ogenschijnlijk geen verwantschap met het psychoanalytisch denken; het begrip onbewuste speelt zeker geen rol in het personalisme. Er zijn echter overeenkomsten in het benadrukken van de subjectiviteit en in het inherente antimaterialisme. [JW*]

Literatuur