Puberteit


  • Duits: Pubertät, die

Freud gaf in 1905 met de Drei Abhandlungen het startsein voor de psychoanalytische studie van de puberteit als een belangrijke ontwikkelingsfase. In tegenstelling tot de algemene gedachte in die tijd dat het seksuele leven van de mens begon in de puberteit, liet hij zien dat de psycho-seksuele ontwikkeling ruim verankerd is in de kindertijd. In Freuds visie was de puberteit met zijn kenmerkende veranderingen het sluitstuk van een psycho-seksuele ontwikkeling in twee fasen. De puber maakt zich los van de primaire objecten en wendt zich tot een nieuw seksueel object in de buitenwereld, dat als substituut voor het oorspronkelijke object kon dienen: het vinden van een object is het hervinden ervan, schreef Freud. Met de emancipatie van de adolescent in de Westerse samenleving en daarmee samenhangend zijn toenemend economisch belang krijgt hij meer aandacht. Denk aan de baanbrekende studies van Anna Freud en van Peter Blos over de jonge adolescent en aan het werk van de Laufers.

 

De puberteit is die fase van de adolescentie waarin het kinderlichaam rijpt tot volwassen lichaam. Het begin en het verloop van de puberteit zijn zeer divers. Voor de meeste meisjes begint de puberteit rondom het twaalfde levensjaar, voor jongens meestal twee jaar later. Gemiddeld duurt de puberteit tot het 16e levensjaar; dan is het kind seksueel volwassen..

De ontwikkelingen in de puberteit kunnen beschreven worden op drie dimensies:

a) de psycho-seksuele dimensie: nieuwe gevoelens, orgasme. Dit is weinig omlijnd: alle situaties kunnen een seksuele betekenis krijgen, zowel homo- als heteroseksueel. Ofschoon dit een centrale rol speelt in de beleving van pubers, vormt dit veel minder een motor voor de ontwikkeling dan Freud dacht.

b) de cognitieve ontwikkeling grijpt veel dieper in dan door de meeste psychoanalytici werd verondersteld. Het abstracte denken en de wens om te willen weten heeft een grote impact op zowel de psycho-seksuele ontwikkeling, de losmaking van de primaire objecten als ook op de sociale ontwikkeling.

c) de ontwikkeling in het narcisme. De bovenstaande ontwikkeling en de losmaking van de primaire objecten betekent voor de puber het verlies van de meest vanzelfsprekende bron van het gevoel van eigenwaarde. De kwetsbaarheid voor schaamte en de egocentrische opstelling zijn daar direct het gevolg van. De relatie met de leeftijdsgenoten en het vinden van een partner helpen een narcistische evenwicht te hervinden. [WH*]

 

 

Literatuur

  • Heuves, W. (2006). Pubers. Ontwikkeling en problemen. Assen: Van Gorcum.