Enunciatie

  • Frans: énonciation
  • Engels: enunciation
  • Duits: Sprechakt

De taaltheorie in Europa maakt een belangrijk onderscheid tussen de enunciatie [het(uit)spreken], en de uitspraak (Fr. énoncé). Het onderscheid betreft twee manieren om naar de taalproductie te kijken. Wanneer de taalproductie in termen van abstracte grammaticale eenheden (zoals zinnen) wordt gezien, onafhankelijk van de specifieke omstandigheden waarin het plaatsvindt, wordt hiernaar verwezen als de uitspraak. Anderzijds, wanneer de taalproductie beschouwd wordt als een individuele handeling die door een bepaalde spreker op een specifiek moment/plaats en in een specifieke situatie wordt uitgevoerd, dan wordt ernaar verwezen als de enunciatie [het uitspreken] (Ducrot en Todorov, 1972: 405-10).  

Al geruime tijd voordat Lacan deze termen gebruikt, maakt hij al een gelijkaardig onderscheid. In 1936 bijvoorbeeld benadrukt hij dat het spreken een betekenis in zichzelf heeft, zelfs als de gesproken woorden ‘betekenisloos’ zijn (Ec, 83). Voor elke functie van ‘de mededeling van een boodschap’ betekent de taal een appel doen op de ander. Deze aandacht voor de spreekhandeling zelf, ongeacht de inhoud van wat gezegd wordt, is een voorbode van Lacans aandacht voor de dimensie van de enunciatie. 

Wanneer Lacan in 1946 de term ‘enunciatie’ gaat gebruiken, doet hij dat eerst om ongewone kenmerken van psychotische taal te beschrijven, met zijn ‘dubbelheid van de enunciatie’ (Ec, 167). In de graaf van het verlangen is de onderste ketting de uitspraak, die de taal betreft in zijn bewuste dimensie, terwijl de bovenste ketting ‘de onbewuste enunciatie’ is (E, 316). Door de enunciatie als onbewust te omschrijven, bevestigt Lacan dat de bron van het spreken niet het Ik is, en ook niet het bewuste, maar het onbewuste; taal komt van de Ander, en de gedachte dat ‘Ik’ de meester zou zijn van mijn discours is een illusie. Alleen al het woord ‘Ik’ (Je) is ambigu; als een SHIFTER is het zowel een betekenaar die als het subject van de uitspraak handelt, en een index die het subject dat spreekt aanduidt, maar geen betekenis geeft (E, 298). Het subject is dus gespleten tussen deze twee niveaus, verdeeld in de handeling zelf om het Ik te articuleren dat de illusie van eenheid representeert (S11, 139). 

Literatuur 

  • Dylan Evans, Inleidend lacaniaans lexicon. De psychoanalyse van Jacques Lacan. Amsterdam, Sjibbolet 2024 [oorspronkelijk D. Evans, An introductory dictionary of lacanian psychoanalysis. Londen/New York, Routledge, 1996, vertaling door Elisabeth Greven]. 
  • Jacques Lacan, Écrits, Parijs: Seuil, 1966. (Ec) 
  • Jacques Lacan, Écrits. A Selection, vert. Alan Sheridan, Londen: Tavistock Publications, 1977. (E) 
  • Jacques Lacan, The Seminar. Book XI. The Four Fundamental Concepts of Psychoanalysis, 1964. Vert. Alan Sheridan. Londen: Hogarth Press en Institute of Psycho-Analysis, 1977. (S11) 
  • Ducrot, Oswald en Todorov, Tzvetan (1972), Dictionnaire encyclopédique des sciences du langage, Parijs: Seuil. 

 

Gerelateerde lemma's

Gerelateerde artikelen

De ideeën van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan hebben de theorie en de klinische praktijk van de psychoanalyse aanzienlijk veranderd en hebben een grote impact op de cultuurwetenschappen en de filosofie. Lacans oeuvre staat echter bekend om zijn complexiteit en idiosyncratische…