- Frans: désir
- Engels: desire
- Duits: Begehren
Als er één concept is dat het meest centraal staat in het gedachtegoed van Lacan, dan is het wel het begrip ‘verlangen’. Lacan volgt Spinoza in zijn uitspraak dat ‘het verlangen de essentie van de mens uitmaakt’ (S11, 275; zie Spinoza, 1677: 128); het hart van het menselijk bestaan is het verlangen en het verlangen staat evenzo centraal in de psychoanalyse. Wanneer Lacan echter spreekt over het verlangen bedoelt hij niet elk verlangen, maar altijd het onbewuste verlangen. Dit is niet omdat Lacan het bewuste verlangen onbelangrijk acht, maar omdat eenvoudigweg het onbewuste verlangen het meest belangrijk is in de psychoanalyse. Het onbewuste verlangen is geheel seksueel van aard; ‘de motieven van het onbewuste zijn beperkt … tot seksueel verlangen … Het andere grote algemene verlangen, dat van de honger, wordt niet gerepresenteerd’ (E, 142).
Het doel van de psychoanalyse is er in gelegen om de analysant de waarheid omtrent zijn eigen verlangen te doen inzien. Maar het is alleen mogelijk om je eigen verlangen te kennen wanneer het in het spreken wordt uitgedrukt: ‘alleen als het is geformuleerd, benoemd, in de aanwezigheid van de ander, wordt het verlangen, wat het ook moge zijn, erkend, in de volle betekenis van het woord’ (S1, 183).
Dus in de psychoanalyse ‘is het belangrijk om het subject te leren benoemen, te articuleren, om zijn verlangen tot leven te brengen’ (S2, 228). Het is echter niet een kwestie van het vinden van een nieuwe uiting voor een bestaand verlangen, want dit zou een expressionistische taaltheorie impliceren. Integendeel, door het verlangen te uiten via het spreken maakt de analysant het verlangen aanwezig:
‘Dat het subject er toe komt om zijn verlangen te erkennen en te benoemen; dat is het effect van de psychoanalytische akt. Maar het is niet een kwestie van iets erkennen dat al helemaal gegeven is … Door het te benoemen creëert het subject, brengt het een nieuwe aanwezigheid in de wereld’ (S2, 228-9).
Er is wel een grens in hoeverre het verlangen via het spreken uitgedrukt kan worden want er bestaat een wezenlijke ‘onverenigbaarheid tussen het verlangen en het spreken’ (E, 275); dit verklaart dat het onbewuste niet te herleiden is (d.w.z. het onbewuste gaat niet over iets dat men niet weet, maar gaat over iets dat men niet kan weten). Hoewel de waarheid omtrent het verlangen tot op zekere hoogte in het spreken aanwezig is, kan nooit de volledige waarheid over het verlangen worden gearticuleerd, iedere keer als het spreken het verlangen poogt weer te geven, is daar altijd een overblijfsel, een surplus, dat het spreken te boven gaat.
Een van Lacans grootste kritiekpunten op het psychoanalytische gedachtegoed van zijn tijd was dat het verlangen verward werd met de vraag en de behoefte. Om deze tendens tegen te gaan, dringt Lacan erop aan om deze drie concepten van elkaar te onderscheiden. Dit onderscheid begint zich in zijn werk af te tekenen in 1957 (zie S4, 100-1, 125), en kristalliseert zich uit in 1958 (Lacan, 1958c).
Behoefte is een zuiver biologisch instinct, een lust die ontstaat naar gelang de vereisten van het organisme dat geheel tot bedaren komt (zelfs al is het tijdelijk) wanneer het bevredigd is. Het menselijk subject, ter wereld gekomen in een staat van hulpeloosheid, is niet bij machte om zijn eigen behoeften te bevredigen en is dus daarin afhankelijk van de Ander die hem daarbij helpt. Om de hulp van de Ander te krijgen, moet het kind zijn noden met zijn stem laten weten; de behoefte moet gearticuleerd worden in een vraag. De primitieve vraag van het kind is weliswaar een niet gearticuleerde roep, maar het brengt de ander wel zover om de behoefte van het kind te honoreren. De aanwezigheid van de Ander op zich wordt echter al snel belangrijk op zich, het gaat om een belang dat voorbij de behoeftebevrediging ligt, aangezien het de liefde van de Ander symboliseert. De vraag heeft dus een dubbele functie, het is een uitdrukking van behoefte en een vraag naar liefde. Maar waar de Ander de objecten aan het subject kan geven die het nodig heeft, kan de Ander niet de onvoorwaardelijke liefde geven waar het subject zo naar verlangt. Zelfs wanneer de noden, gearticuleerd in een vraag, zijn bevredigd, blijft het andere aspect van de vraag, de hunkering naar liefde, onbevredigd achter, en dit overblijfsel is het verlangen. ‘Het verlangen is noch de honger naar de bevrediging noch de vraag naar liefde, maar is het ontstane verschil wanneer je de eerste van de tweede aftrekt’ (E, 287).
Het verlangen is dus het surplus dat ontstaan is doordat de behoefte is gearticuleerd in een vraag; ‘Het verlangen krijgt vorm in de marge waar de vraag gescheiden raakt van de behoefte’ (E, 311). In tegenstelling tot een behoefte, die bevredigd kan worden waardoor het subject zich er vervolgens niet meer op richt, kan het verlangen nooit bevredigd worden, het dringt constant aan, en is er voor altijd. Het realiseren van het verlangen is niet een kwestie van ‘voldaan’ zijn, maar is gelegen in de vermeerdering van het verlangen.
Lacans onderscheid tussen behoefte en verlangen haalt het verlangen geheel uit het biologische en doet sterk denken aan Kojève’s onderscheid tussen het dierlijk en menselijk verlangen, het verlangen toont zich als duidelijk menselijk wanneer het of tot een ander verlangen is gericht, of tot een object dat ‘vanuit een biologisch gezichtspunt helemaal onnodig is’ (Kojève, 1947: 6).
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het verlangen en de drift. Hoewel beide behoren tot het domein van de Ander (tegengesteld aan de liefde) is de drift bij het verlangen in hoge mate aanwezig. Anders gezegd, de drift is de bijzondere (partiële) manifestatie van een enkele kracht dat verlangen genoemd wordt (hoewel er ook verlangens zijn die zich niet in de drift uitdrukken: zie S11, 243). Er bestaat echter een object van het verlangen, object kleine a, dat gerepresenteerd wordt door een variatie van deelobjecten in verschillende partiële driften. Het object kleine a betreft niet het object waar het verlangen naar uitgaat maar is de oorzaak van het verlangen. Het verlangen staat niet in relatie tot een object, maar staat in relatie tot een tekort.
Een formule die vaak herhaald wordt bij Lacan is: ‘het verlangen van de mens is het verlangen van de Ander’ (S11, 235). Dit kan op verschillende manieren begrepen worden waarvan de onderstaande de meest belangrijke zijn.
1.Het verlangen is in essentie ‘het verlangen van het verlangen van de Ander’, het subject wil het object van iemand anders zijn verlangen zijn, en heeft tevens het verlangen om door de ander erkend te worden. Lacan neemt dit idee van Hegel via Kojève over, die zegt: ‘Het verlangen is alleen menselijk wanneer iemand niet het lichaam maar het verlangen van de ander verlangt … dat wil zeggen, hij wil ‘verlangd’ worden, of ‘geliefd’, of eerder nog ‘erkend’ worden in zijn menselijke waarde … Met andere woorden, al het menselijk, antropogenetisch verlangen … is uiteindelijk een verlangen naar ‘erkenning’’ (Kojève, 1947: 6).
Om de gewenste erkenning te krijgen, stelt Kojève verder (nog steeds in navolging van Hegel), moet het subject zijn eigen leven riskeren in een pure prestigestrijd. Dat het verlangen eigenlijk een verlangen is om het object van verlangen te zijn voor de ander, wordt duidelijk geïllustreerd in de eerste ‘tijd’ van het oedipuscomplex waar het subject verlangt om de fallus voor de moeder te zijn.
2.Het is qua de Ander dat het subject verlangt (E, 312): dat betekent, het subject verlangt vanuit het gezichtspunt van de ander. Het effect hiervan is dat ‘het object van het verlangen van de mens … in essentie een object is dat door een ander wordt verlangd’ (Lacan, 1951b: 12). Niet de intrinsieke kwaliteit van het ding op zich maakt het object aantrekkelijk, maar omdat het simpelweg verlangd wordt door de ander. Het verlangen van de ander maakt objecten dus gelijkwaardig en uitwisselbaar; dit zorgt ervoor dat de betekenis van elk bepaald object minder speciaal is, maar tegelijkertijd maakt het de aanwezigheid van talloos veel objecten zichtbaar’ (Lacan, 1951b: 12).
Ook deze gedachte is afkomstig van Hegel, in de interpretatie van Kojève hierin; Kojève stelt dat ‘Het verlangen dat naar een natuurlijk object uitgaat alleen van menselijke aard is wanneer het wordt ‘bemiddeld’ door het Verlangen van de ander dat naar hetzelfde object uitgaat: het is des mensen om te verlangen naar wat anderen verlangen, en wel omdat zij het verlangen’ (Kojève, 1947: 6). Dit gaat terug op het reeds genoemde punt dat het menselijk verlangen een verlangen naar erkenning inhoudt; door te verlangen wat een ander verlangt kan ik de ander doen erkennen dat ik dat object mag bezitten zodat ik de ander mijn superioriteit over hem laat erkennen’ (Kojève, 1947: 40).
Dit algemene kenmerk is vooral duidelijk in de hysterie; de hystericus is iemand die het verlangen van de ander steunt; die andermans verlangen ombuigt naar het zijne (bijv. Dora richt haar verlangen op Mw K omdat zij zich identificeert met de heer K, dus zij eigent zich zijn gevoelde verlangen toe, S4, 138; zie Freud, 1905c). Het gaat er in de analyse van de hystericus dus niet zozeer om uit te zoeken wat het object van zijn verlangen is, maar om de plaats te ontdekken van waaruit hij verlangt (het subject met wie hij zich identificeert).
3.Het verlangen is het verlangen naar de Ander (spelend met de dubbelzinnigheid van het Franse voorzetsel de). Het basale verlangen is het incestueuze verlangen naar de moeder, de primordiale Ander (S7, 67).
- Het verlangen is altijd ‘het verlangen naar iets anders’ (E, 167); het is niet mogelijk naar iets te verlangen wat men al heeft. Het object van het verlangen wordt continu verschoven en daarom is het verlangen een metonymie (E, 175).
- Het verlangen ontstaat oorspronkelijk in het domein van het Andere, dat wil zeggen, in het onbewuste.
Het meest belangrijke uit Lacans gezegde is dat het verlangen een sociaal product is. Het verlangen is geen privé aangelegenheid zoals het wel lijkt, maar het verlangen wordt altijd in een dialectische relatie met de waargenomen verlangens van andere subjecten geconstitueerd.
De eerste persoon die de plaats van de Ander inneemt, is de moeder en in het begin is het kind aan haar verlangen overgeleverd. Pas wanneer de Vader het verlangen articuleert met de Wet, door de moeder te castreren, is het subject bevrijd van de willekeur in het verlangen van de moeder (zie castratiecomplex).
Literatuur
- Overname uit: Dylan Evans, Inleidend lacaniaans lexicon. De psychoanalyse van Jacques Lacan. Amsterdam, Sjibbolet 2024 (oorspronkelijk D. Evans, An introductory dictionary of lacanian psychoanalysis. Londen/New York, Routledge, 1996, vertaling door Elisabeth Greven).
- Kojève, Alexandre (1947 [1933-39]), Introduction to the Reading of Hegel, vert. James H. Nichols Jr., New York/Londen: Basic Books, 1969.
- Jacques Lacan, Écrits. A Selection, vert. Alan Sheridan, Londen: Tavistock Publications, 1977. (E)
- Jacques Lacan, 1951b, ‘Some reflections on the ego’, Int. J. Psycho-Anal., vol. 34, 1953: pp. 11-17.
- Jacques Lacan, (1953-4), Le Séminaire. Livre I. Les écrits techniques de Freud, 1953-4, red. Jacques-Alain Miller, Parijs: Seuil, 1975 [The Seminar. Book I. Freud’s Papers on Technique, 1953-54, vert. John Forrester, met annotaties van John Forrester, Cambridge: Cambridge University Press, 1987]. (S1)
- Jacques Lacan, (1954-5), Le Séminaire. Livre II. Le moi dans la théorie de Freud et dans la technique de la psychanalyse, 1954-55, red. Jacques-Alain Miller, Parijs: Seuil, 1978 [The Seminar. Book II. The Ego in Freud’s Theory and in the Technique of Psychoanalysis, 1954-55, vert. Sylvana Tomaselli, annotaties van John Forrester, Cambridge: Cambridge University Press, 1988]. (S2)
- Jacques Lacan, (1956-7), Le Séminaire. Livre IV. La relation d’object, 1956-57, red. Jacques-Alain Miller, Parijs: Seuil, 1994 [The Seminar. Book IV. The Object Relation, vert. Adrian Price, Cambridge: Polity, 2020]. (S4)
- Jacques Lacan, (1959-60), Le Séminaire. Livre VII. L’éthique de la psychanalyse, 1959-60, red Jacques-Alain Miller, Parijs: Seuil, 1986 [The Seminar. Book VII. The Ethics of Psychoanalysis, 1959-60, vert. Dennis Porter, met annotaties van Dennis Porter, Londen: Routledge, 1992]. (S7)
- Jacques Lacan, (1964a), Le Séminaire. Livre XI. Les quatre concepts fondamentaux de la psychanalyse, 1964, red. Jacques-Alain Miller, Parijs: Seuil, 1973 [The Seminar. Book XI. The Four Fundamental Concepts of Psychoanalysis, vert. Alan Sheridan, Londen: Hogarth Press en Institute of PsychoAnalysis, 1977]. (S11)
De graaf van het verlangen is een door Jacques Lacan bedachte topologische voorstelling van de structuur van het verlangen.
De ideeën van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan hebben de theorie en de klinische praktijk van de psychoanalyse aanzienlijk veranderd en hebben een grote impact op de cultuurwetenschappen en de filosofie. Lacans oeuvre staat echter bekend om zijn complexiteit en idiosyncratische…