Psychoanalytisch Woordenboek

Objectrelatietheorie

  • Duits: Objektbeziehungstheorie
  • Engels: object-relation theory
  • Frans: th√©orie des relations d’objet

In de objectrelatietheorie wordt de individuele ontwikkeling beschreven aan de hand van de verschillende relaties die het kind in de loop van zijn ontwikkeling heeft met de belangrijke hechtingsobjecten, vooral de vader en de moeder. Centraal staat de idee dat de representaties van de vroegste relaties met de primaire verzorgers – meestal de ouders – in de latere relaties opnieuw worden gezocht en/of in enactments opnieuw in sc√®ne worden gezet. Met name de kwaliteit van de vroege moeder-kindinteractie heeft in de objectrelatietheorie een voorname plaats. De wijze waarop de moeder is ge√Įnternaliseerd dan wel afgesplitst, bepaalt de uiteindelijke ontwikkeling van het individu en zijn vermogen om tegenstrijdigheden in zichzelf en anderen te verdragen. Deze bepaalt tevens zijn mogelijkheden om concrete bevredigingen van primaire behoeften te verplaatsen naar het meer symbolische terrein van de verbeelding, de taal, en het spel. Een van de prominente vertegenwoordigers van deze school is Winnicott. [MJK]

Hoewel Freud niet in de eerste plaats relationeel dacht, maar uitging van het opzichzelfstaande individu, maakt bijvoorbeeld zijn tekst over rouw en depressie (1916-17g) zonneklaar dat hij oog had voor de intieme verwevenheid van de mens met de ander. De rouwende moet zichzelf met moeite losmaken van het verloren object.

Literatuur

  • Freud, S. (1916-17g) ‘Rouw en melancholie’, Werken 7: 129, 133-148.
Verder op psychoanalytischwoordenboek.nl: