Castratiecomplex (lacaniaans)


  • Duits: Kastrationskomplex, der (Lacansch)
  • Engels: castration complex (lacanian)
  • Frans: complexe de castration (lacanien)

Terwijl Lacan het aanvankelijk in zijn oeuvre meer over castratie dan over het castratiecomplex heeft, komt een en ander midden jaren vijftig uitgebreid aan bod (1956-57, p. 208-227). Hij definieert dan de castratie als een van de drie vormen van het tekort aan object (naast de frustratie en de privatie), namelijk het symbolisch tekort aan een imaginair object zijnde de  fallus. Terwijl Freud het castratiecomplex een ander verloop toekent bij jongens en meisjes, vertegenwoordigt het voor Lacan voor beide seksen het sluitstuk van het oedipuscomplex. Hij verdeelt dit laatste dan in drie logische (niet chronologische) fasen (1957-58, p. 179-212). In de eerste fase merkt het kind dat de moeder naar iets/iemand anders verlangt dan naar hemzelf en poogt het zich hiermee te identificeren. Het wil (of waant zich) fallus/alles (te) zijn voor de moeder. In de tweede fase komt de imaginaire vader tussenbeide. Hij drijft met zijn incestverbod een wig en verbiedt zodoende de moeder aan het kind en het kind aan de moeder. Het is de castratie van de moeder of wat Lacan de ‘privatie’ noemt. Zij is niet langer de fallische moeder; haar hebben van de fallus wordt tenietgedaan. Castratie zorgt in de derde fase voor de oplossing van het oedipuscomplex. De reële vader maakt duidelijk dat hij daadwerkelijk de fallus bezit. Het kind houdt er dan mee op te pogen de fallus te zijn. Zowel de castratie (of privatie) van de moeder als die van het kind plaatst het subject voor de keuze dit al dan niet te aanvaarden. Slechts het aanvaarden van de castratie maakt echter een zekere graad van psychische gezondheid mogelijk. Het dichtst wordt dit benaderd binnen de neurose, hoewel ook daar deze castratie wordt afgeweerd. Een en ander verstoort dan het werkelijk aanvaarden van een tekort dat als oorzaak verlangen op gang brengt en houdt. Het is in een typisch lacaniaanse en tragikomische woordspeling een ‘cause perdue’: een verloren (oor)zaak (Lacan, 1964, p. 128). [MK]

 

Literatuur

  • Evans, D. (1996) An introductory dictionary of Lacanian psychoanalysis. Routledge, Londen.
  • Lacan, J. (1956-57) Le Séminaire. Livre IV. La relation d’objet. Texte établi par J.A. Miller. Du Seuil, Parijs, 1994.
  • Lacan, J. (1957-58) Le Séminaire. Livre V. Les formations de l’inconscient. Texte établi par J.A. Miller. Du Seuil, Parijs, 1998.
  • Lacan, J. (1964) Le Séminaire. Livre XI. Les quatre concepts fondamentaux de la psychanalyse. Texte établi par J.A. Miller. Du Seuil, Parijs, 1973.