Psychoanalytisch Woordenboek

Karakter (2)

De laatste decennia komt het begrip ‘karakter’ zoals het vrij algemeen voorkwam in de neurosenleer veel minder aan de orde. In de diagnostiek werd algemeen gesproken over ‘karakterneurosen’. Neurosen gaan uit van een conflict binnen de psyche. De DSM hanteert de ‘stoornis’ als het ‘ontbreken’ van wat als normaal wordt beschouwd. Dus geen conflict maar een defect zoals Kuiper dat in zijn neuroseleer formuleert. Men spreekt van een persoonlijkheidsstoornis en daarmee is thans zowel karakter als neurose van de baan.

Iemands karakter werd aanvankelijk in de psychoanalyse gedefinieerd als een weerstand tegen het verwerven van noodzakelijk inzicht in het onbewuste. Het gaat om stereotiepe psychische eigenschappen, die voortvloeien uit de verdrongen kinderlijke seksualiteit. Prof. Bastiaans onderwees ons op college over orale en anale driftimpulsen die in de karakterneurose worden afgeweerd en leiden tot orale en anale karakters en ‘meng’karakters (b.v. iemand draagt een nette jurk en smerig ondergoed). Het gaat daarbij om fixaties in de vroegere fasen, gerekend vanuit het oedipuscomplex als de kern van de neurose.

In de praktijk van de psychoanalyse blijkt evenwel dat karakterfixaties de begrenzing vormen van een regressief proces naar de nog vroegere stadia van de ontwikkeling. Het neurotische conflict vindt een compromis in enerzijds de afweer als uitingsvorm van adaptatie in de verinnerlijkte buitenwereld, anderzijds de oorspronkelijke driftimpulsen. In de regressie van de overdracht worden de fixaties van de karakterontwikkeling minder stabiel en in het ongunstige geval kunnen angsten toenemen door gebrek aan afweer. Dat heeft in de psychoanalyse geleid tot min of meer riskante pogingen de samenhangen van het eerste levensjaar te traceren, zoals de separatie-individuatie (Mahler), en zelfs de daaraan voorafgaande symbiotische en presymbiotische (autistische) fase. Daarbij komen in navolging van de school van M. Klein psychotische mechanismen aan de orde (Lacan; Bion). Deze hebben in grote mate bijgedragen tot inzicht in de ontwikkeling van een psychische ‘identiteit’ zoals deze tevoren hoofdzakelijk werd opgevat als het uitkristalliseren van de seksuele identiteit (gender) in de puberteit/adolescentie bij een algemeen veronderstelde biseksuele aanleg. Ik kan mij daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de samenhangen tussen drift- en gevoelsleven, zoals in de concepten als ‘onbewuste communicatie’ bijvoorbeeld via lichaamstaal en ‘intersubjectiviteit’, uit de moderne psychoanalyse (Ubbels) steeds belangrijker worden terwijl de essentie van het begrip ‘karakter’ verbleekt. [AvE].

Literatuur

  • Freud, S. (1916d) ‘Enkele karaktertypen uit de psychoanalytische praktijk’. Werken 7: 188-210.
  • Ubbels, J. (2009) ‘Karakter, identiteit en subjectivering in de adolescentie’. Tijdschrift voor Psychoanalyse 15, 218-227.
Verder op psychoanalytischwoordenboek.nl: