Metapsychologie


  • Duits: Metapsychologie, die
  • Frans: métapsychologie

Het geheel van theoretische modellen die ten doel hebben de verworven analytische inzichten in één theorie onder te brengen. Deze modellen hebben onder andere betrekking op de structuur van het psychisch apparaat, de drifttheorie en het mechanisme van de verdringing. De metapsychologie kent minstens drie gezichtspunten: het dynamische, het topische en het economische. Na Freud zijn hieraan toegevoegd het genetische, onder meer doelend op de biologisch vastliggende driftontwikkelingsfasen en het developmental-environmental gezichtspunt waartoe ook het adaptieve gezichtspunt behoort. Tegenwoordig onderscheidt men allerlei denkmodellen: de drifttheorie, die het dichtst bij de klassieke theorie staat; de egopsychologie, met haar nadruk op afweermechanismen en coping-strategieën; de objectrelatietheorie met de nadruk op de ervaren objectrelaties, zowel in het expliciete als in het impliciete geheugen; ten vierde de gehechtheidstheorieën, al of niet in combinatie met mentaliseren”>zelfpsychologie met nadruk op zelfgevoel en zelfwaardering. Ten vijfde gehechtheidstheorieën, al of niet in combinatie met mentaliseren.

Bij Aristoteles was dit niet doelbewust; de naam ‘metafysica’ is pas na zijn dood bij de ordening van zijn werken aan een bepaald deel gegeven. Freud wilde na zijn psychologie een metapsychologie ontwikkelen. Metafysica vond hij overigens een vorm van speculeren, die beter gemist kon worden. Hoofdstuk 7 van De droomduiding (1900a) is een bekende maar ook moeilijke publicatie over de metapsychologie. Daarin vindt men – om er enige te noemen – termen als baning, excitatie, waarnemingssysteem, energie, psychisch apparaat, (over)bezetting, innervatie, kwantiteit, psychische lokaliteit, en ten slotte topische, temporele en formele regressie. Hiervoor geldt: ‘Deze ideeën vormen immers niet het wetenschappelijk fundament waarop alles rust; dat is veeleer alleen de observatie. Ze vormen niet het onderstuk maar het bovenstuk van het totale bouwwerk en kunnen zonder enige schade worden vervangen en afgebroken’ (Freud, 1914c; 6: 333).

Literatuur

  • Eurelings-Bontekoe, E., Koelen, J. & Snellen, W. (2007) ‘Psychodynamische modellen: Van Freud tot Fonagy’, in: Eurelings-Bontekoe e.a., Handboek persoonlijkheidspathologie. Bohn Stafleu van Loghum, Houten, 185-202.
  • Freud, S. (1914c) ‘Ter introductie van het narcisme’, Werken 6: 326, 329-355.
  • Pine, F. (1990) Drive, ego, object and self. Basic Books, New York.