Projectieve identificatie


  • Duits: Identifizierung, die projektive
  • Frans: identification projective
  • Engels: Projective identification

Dit concept werd door Melanie Klein ingevoerd in 1946. Projectieve identificatie is in wezen niet te beschouwen als een ander mechanisme dan projectie: de term geeft de kleiniaanse beschrijving ervan. Om te begrijpen wat projectieve identificatie is, moet men weten wat de paranoïde-schizoïde positie behelst. In deze positie gaat het niet om verdringing, maar om splitsing van zelf en objecten in goede en slechte delen. Van deze delen van het zelf en de heeft het subject een concrete, zelfs concretistische voorstelling. Het subject probeert zich te bevrijden van al het slechte, omdat dit ondraaglijke paranoïde angsten opwekt, door het af te splitsen en in de ander te plaatsen. In deze opvatting gebeurt dit laatste met intrusief geweld. Van de ander wordt verwacht dat die gebruik zal maken van dezelfde mechanismen. Het subject is dus angstig voor wraakzuchtige bedreigende intrusies door het object waarin werd geprojecteerd en zal daarom op zijn projecties bij wijze van spreken zorgvuldig toezicht houden in het object. Een receptief object kan dit toezicht houden – of controleren zo men wil – ervaren als een tranformatie van het eigen zelf. In die zin kan men zeggen dat het object niet alleen door en voor het projecterende subject wordt herleid tot diens “fantasieën”, maar ook dat het subject waarin wordt geprojecteerd het gevaar loopt zich ermee te identificeren. Het mechanisme kan bijvoorbeeld “verklaren” dat een analyticus zich na een sessie enigszins onbegrijpelijk in de angstige, depressieve of andere onaangename stemming bevindt waarin de analysand zich bij het begin van de sessie nog bevond, maar waarvan deze laatste op het einde van de sessie bevrijd leek. Een ander voorbeeld: een patiënt die zichzelf waardeloos voelt, weet dat gevoel te verdringen door het onder te brengen bij de analyticus. Van de weeromstuit kan deze – ten onrechte – gaan denken zijn werk met deze patiënt slecht te doen. Het is een belangrijk concept om de kleiniaanse opvatting over tegenoverdracht te begrijpen. Klein en ook Bion waarschuwden tegen een onzorgvuldig toepassen van het concept in het denken over tegenoverdracht. Projectieve identificatie is niet alleen een primitief afweermechanisme, maar ook, zoals Bion beklemtoont en uitwerkt, een primitieve manier van communicatie en een bouwsteen van alle communicatie. Ze houdt de mogelijkheid in dat communicatie “van vlees en bloed” is. In die zin is projectieve identificatie niet als een pathologisch mechanisme te beschouwen. Van pathologie is alleen sprake indien er excessief of exclusief gebruik van wordt gemaakt. [JCa]

Projectieve Identificatie (2)

Een van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste inzicht in het post-freudiaanse tijdperk van de psychoanalyse is het door Melanie Klein gepostuleerde concept ‘projectieve identificatie’.
Projectieve identificatie is inherent aan iedere vorm van communicatie en bijgevolg van iedere vorm van beoordeling. Het is het eigen accent dat wordt gelegd bij het uit de context halen van mededelingen, citaten, literatuur, film en wetenschap. Wat belangrijk wordt gevonden, wat wordt opgehemeld of verfoeid, de keuze bij wat wordt uitgesproken of verzwegen. Last but not least: de beoordeling van specialisten zoals politici, economen, juristen, artsen, psychiaters en psychoanalytici. Projectieve identificaties zijn onontkoombaar. Natuurlijk, het past bij de waan van de dag, de constructies van analytische duidingen, de tegenoverdracht.
De psychoanalyse maakt zelfs gebruik van projectieve identificaties door methodisch toe te werken naar het conflictgehalte van wat wordt uitgesproken. Dat er achter het idealiseren door de patiënt en de empathie van de therapeut verschillende motieven schuilgaan die vroeg of laat uitlopen in de tegenstrijdigheden van een negatieve overdracht. Het fraaiste voorbeeld van projectieve identificatie is de ‘smiling response’ van de baby in de symbiotische fase; het kind leert geleidelijk terug te lachen naar de moeder. De lachreflex ontstaat al vroeger als kennelijk teken van verzadiging na een vermoeiende voeding. De moeder pakt het op en de baby reageert er warempel op. Een teken dat de aanpassing naar de buitenwereld bevredigend verloopt en niet meer als strijdig met innerlijke behoeften kan worden beschouwd. Van afweermechanismen kan in dit voorbeeld niet gesproken worden. Zolang de behoeften niet te hoog oplopen reageert het Ik autonoom op geleide van een volginstinct van identificaties, ons welbekend uit de dierpsychologie.
De strijd tussen een bevredigende aanpassing en onbevredigde behoeften blijft evenzeer levenslang in het onbewuste voortwoeden; anderzijds kan het Ik via de opgebouwde structuur van projectieve identificaties een systeem leren ontwikkelen waarin het driftleven optimaal wordt beteugeld zonder dat al te grote concessies nodig zijn aan het realiteitsprincipe. Het objectiveren van de realiteit is in dit adaptieve proces een belangrijke schakel, zodat we willens en wetens en met zijn allen de wijsheid en de waarheid in pacht menen te hebben. Veel mensen nemen genoegen met halve waarheden en zijn niet gemotiveerd tot verder scholing en uitbreiding van hun kennis. Mogelijk omdat discrepanties aan het licht komen tussen een vanzelfsprekende objectieve werkelijkheid en de systematiek van vergissingen die daarbij gemaakt worden.
Ondanks de verwantschap met de psychose kunnen narcisme en projectieve identificaties niet tot de psychopathologie worden gerekend. Eenieder die over zichzelf nadenkt, trekt zich tijdelijk uit zijn omgeving terug en leeft in een innerlijke dialoog, in een symbiotische jij-relatie als tweede persoon – het zélf – waarbij om het gedachtegoed vorm te geven, de buitenwereld tot nader order buiten de narcistische dyade wordt gehouden.
De kruik gaat net zo lang te water tot ze breekt, waarmee ik bedoel dat in iedere communicatie de misverstanden worden opgebouwd, wanneer deze met de mantel der liefde worden afgedekt. Dit betrekkelijke ‘noodlot’ van iedere objectrelatie past in een soortgelijke evolutie als het psychoanalytisch denken over een tweede drijfveer, van respectievelijk Ik-drift, narcisme , naar agressie. Confrontaties met de wederzijdse gevolgen van projectieve identificaties in de communicatie leiden tot botsingen tussen accentverschillen in bedoelingen en motieven. Bijvoorbeeld, ik zie een moeder met een driejarig kind op straat. Moeder doet haar dagelijkse boodschappen en het kind speelt met een vliegtuigje als ‘zoethoudertje’. Maar dan rent het kindje plotseling de straat op achter zijn vliegende speeltuig aan: moeder raakt geïrriteerd en pakt het speeltje af. Zij wil boodschappen doen, terwijl het kind wil spelen.
De discrepanties tussen zorgen en spelen zijn al traceerbaar naar de verschoning op de kindercommode, waarbij het kind zich telkens loswurmt van de doelgerichte handelingen van moeder. De agressie van het kind wordt pas veel later manifest, wanneer de zindelijkheidstraining wordt doorkruist met ongehoorzaam gedrag.
Dat geldt ook voor projectieve identificaties. De verschillende bedoelingen in de communicatie, c.q. de bovengenoemde negatieve overdracht, worden namelijk pas laat opgemerkt. Meestal zal de analyticus door zijn professionele instelling zijn patiënt daarin vóór zijn, zodat hij er empathisch mee kan leren omgaan.
Het voordeel van dergelijke confrontaties is dat het niveau van functioneren verbetert en de relaties de kans krijgen zich te verdiepen. Vergelijk het met de moedereend die haar kuikens agressief maant in haar buurt te blijven omdat de gevaren in haar optiek te groot dreigen te worden. Zo groeit het volginstinct uit naar een territoirinstinct, een soort Über-Ich, waarin ieder zijn grenzen kan leren bepalen zonder in levensbedreigende, lees angstige, situaties te komen waarin de afweerreacties dominant worden en de psychologie van projectieve identificaties tot de psychopathologie van een narcistische afweer met megalomane terugtrekking leidt. Je zou kunnen beweren dat genoemde, noodlottige projectieve identificaties obligaat leiden tot aanpassingsstoornissen, alsof het de prognose betreft van dreigend hartfalen. Het tempo waarin een dergelijke ontwikkeling naar frustraties plaatsvindt, is individueel verschillend en bepaalt de aard van neurotische fixaties, dan wel de eventuele diagnose. Ook dan nog zijn factoren in het geding als angst- en frustratietolerantie die via een efficiënte afweerorganisatie psychische stoornissen afhouden.
De echte psychose betreft eerder het ontbreken van projectieve identificaties. Wanneer in het mechanisme van de ‘smiling response’ de reactie op het lachen van de moeder ontbreekt leert het kind de dominantie van de buitenwereld niet aan en is de primaire werkelijkheid van een identificatievorm met eigen gedrag maatgevend, in zoverre de zintuiglijke waarneming van de buitenwereld in concreto samenvalt met de eigen compositie – hallucineren – en het volgen van de moeder in de symbiose onherstelbaar tekortschiet. [AvE]

Literatuur